Adviezen2011 Briefadvies over het Kierbesluit
De Commissie is van oordeel dat er serieuze juridische risico’s kleven aan het eenzijdig wijzigen van de over het Kierbesluit gemaakte afspraken in internationaal en Europeesrechtelijk verband. Het besluit om de Haringvlietsluizen te openen is niet vastgelegd in de relevante richtlijnen of verdragen, maar in besluiten, maatregelen en plannen die veelal op zichzelf formeel niet juridisch bindend van aard zijn. De Commissie wijst er echter op dat het Hof van Justitie als zij moet beoordelen of een lidstaat voldoet aan haar verplichtingen zoals vastgelegd in Europese richtlijnen, bijvoorbeeld maatregelenprogramma’s vereist op basis van de KRW (artikel 11), en beheerplannen vereist op basis van de Aalverordening (artikel 2), instandhoudingsdoelstellingen en beheerplannen zoals vereist op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn, alsmede plannen die opgesteld zijn in het kader van verdragen, zoals bijvoorbeeld het Masterplan Trekvissen in het kader van het Rijnverdrag, betrekt in haar oordeel. Ook wijst de Commissie er op dat uitzonderingsbepalingen door het Hof van Justitie over het algemeen restrictief worden uitgelegd. Het Hof zal er zeer waarschijnlijk vanuit gaan dat specifieke maatregelen, opgenomen in dergelijke maatregelenprogramma’s, beheerplannen en plannen, zoals het Kierbesluit, invulling geven aan de verplichtingen in de richtlijnen en, behoudens volwaardig alternatief, geïmplementeerd dienen te worden. De Commissie kan niet beoordelen of een dergelijk alternatief voorhanden is. Uitgaande van een alternatief dat dezelfde positieve gevolgen heeft voor de (ecologische) toestand van de stroomgebieden van de Rijn en de Maas en eveneens op dezelfde wijze voldoet aan de afspraken gemaakt in internationaal verband, alsmede dezelfde positieve gevolgen heeft voor de goede staat van instandhouding zoals die geldt voor de betrokken Natura 2000-gebieden in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn, acht de Commissie het gebruik van een alternatief voor het Kierbesluit mogelijk. Dat neemt echter niet weg dat in dat geval nog niet wordt voldaan aan de resultaatsverplichting het vastgestelde maatregelenprogramma op grond van de KRW eind 2012 operationeel te hebben (art. 11 lid 7 KRW en artikel 8.1 Waterbesluit). Ook wijst de Commissie er op dat voor het vaststellen van een volwaardig alternatief overleg, goedkeuring en medewerking van de stroomgebiedbeheerpartners (andere lidstaten en Zwitserland) en de Europese Commissie nodig is en een formele herziening van de stroomgebiedplannen en maatregelenprogramma’s noodzakelijk is, inclusief het voldoen aan de vereisten van publieke participatie. De Commissie verwacht dat de Europese Commissie en het Hof van Justitie sterk hechten aan het nakomen van gemaakte afspraken in het kader van de gecoördineerde stroomgebiedbeheerplannen en maatregelenprogramma’s, omdat samenwerking, coördinatie en gezamenlijke verantwoordelijkheid kernelementen van de KRW zijn. Ook voor Nederland als benedenstrooms gelegen land, is deze gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbij erop gerekend moet kunnen worden dat gemaakte afspraken nagekomen worden, cruciaal om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen.
[briefadvies] [kabinetsstandpunt]
Briefadvies over indirecte waterschapsverkiezingen Op 12 april 2011 heeft de Commissie haar advies over indirecte waterschapsverkiezingen aangeboden aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. In lijn met haar eerder advies uit 2009 (‘Belangenrepresentatie in het waterschapsbestuur’) kan de Commissie zich vinden in het voorstel om de leden van het algemeen bestuur van het waterschap, voor de categorie ingezetenen, te laten verkiezen door de leden van de raden van de gemeenten die in het gebied van het waterschap liggen. Een dergelijke indirecte verkiezing geeft via de gekozen gemeenteraadsleden immers eveneens democratische legimitatie aan het waterschapsbestuur. De Commissie heeft begrip voor de keuze om de reikwijdte van het wetsvoorstel beperkt te houden, in het licht van de nadrukkelijke wens van het kabinet om toekomstige waterschapsverkiezingen op een andere wijze te organiseren dan in 2008 is gedaan. De Commissie geeft de Staatssecretaris wel in overweging om bij de eerstvolgende evaluatie van de waterschapsverkiezingen-nieuwe-stijl aandacht te besteden aan de bredere context van het waterschapskiesrecht voor alle belangencategorieën, ook in relatie tot het algemene kiesrecht 2. Kiesdistricten 3. Incompatibiliteit
[advies] [adviesaanvraag]
2010 Briefadvies Voorontwerp inzake gedogen van werken van algemeen belang
Op 19 juli 2010 heeft de CAW haar advies uitgebracht aan de Minister van Verkeer en Waterstaat over een voorontwerp van een Wet tot gedogen van werken van algemeen belang (verder: het voorontwerp). De Commissie onderschrijft het streven naar modernisering en vereenvoudiging van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Zij kan zich op hoofdlijnen vinden in de opzet van de nieuwe wet en in de memorie van toelichting behorende bij het voorontwerp. De Commissie plaatst enkele inhoudelijke kanttekeningen bij het voorontwerp en doet enkele concrete aanbevelingen tot aanpassing van de wettekst en de daarbij behorende toelichting.
[advies] [adviesaanvraag]
In reactie op het briefadvies van 19 juli 2010over een voorontwerp van een Wet tot gedogen van werken van algemeen belang heeft de Minister de Commissie gevraagd nader te adviseren over artikel 7 van het Voorontwerp inzake gedogen van werken van algemeen belang. Op 15 november 2010 heeft de Commissie haar advies over artikel 7 van genoemd voorontwerp aangeboden aan de Minister van Infrastructuur en Milieu. De Commissie doet een voorstel voor een alternatieve formulering van artikel 7.
2009 Briefadvies over Voorontwerp wijziging Tracéwet
Op 2 november 2009 heeft de CAW haar advies over een voorontwerp tot wijziging van de Tracéwet aangeboden aan de minister van Verkeer en Waterstaat. Dit voorontwerp beoogt een structurele versnelling en verbetering van de besluitvorming voor projecten tot aanleg en wijziging van hoofdinfrastructuur.
Het voorontwerp roept bij de Commissie een aantal vragen en opmerkingen op. De Commissie maakt enkele algemene opmerkingen over de opzet van het voorontwerp, de beoogde versnelling van procedures en de relatie met andere wetten. De Commissie waardeert de algemene lijn van het voorontwerp in beginsel als positief. De opzet is helder: het begint met een startbeslissing en eindigt met een opleveringstoets; daartussenin zitten: een verkenning en een voorkeursbeslissing. Wat de beoogde versnelling betreft, merkt de Commissie op dat die gewenste versnelling niet alleen van de wet verwacht kan worden. Tevens vraagt de Commissie aandacht voor de relatie met de waterwetgeving.
Daarnaast gaat de Commissie in haar advies in op de volgende specifieke onderwerpen:
De Commissie heeft om een aantal redenen ernstige twijfels over het uitsluiten van beroep voor de decentrale overheden. In de eerste plaats blijkt uit de jurisprudentie over tracébesluiten niet dat vertragingen veroorzaakt worden doordat decentrale overheden beroep instellen. In de tweede plaats valt het in de praktijk niet uit te sluiten dat een decentrale overheid een stichting of een burger inschakelt om zich in rechte tegen een tracébesluit te verzetten. In de derde plaats biedt de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming aan decentrale overheden. Met andere woorden: een decentrale overheid die echt iets (niet) wil, vindt wel een weg. Naar het oordeel van de Commissie berust het uitsluiten van beroep op de administratieve rechter voor decentrale overheden derhalve op onjuiste veronderstellingen. Bovendien kan deze uitsluiting een averechts effect hebben: eventuele civielrechtelijke acties van decentrale overheden zullen namelijk leiden tot veel meer vertraging.
[voorstel van de wet] [verzoek om advies]
Briefadvies over Deltawet
Bij brief van 13 augustus jl. (kenmerk: VENW/DGW-2009/1000) heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat de Commissie van advies inzake de waterstaatswetgeving (verder: de Commissie) om advies gevraagd over een concept van een wetsvoorstel, getiteld: Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening (hierna: Deltawet).
Algemene opmerkingen
De Commissie merkt vooraf op dat zij waardering heeft voor de keuze om in de Deltawet aan te sluiten bij de bestaande wet- en regelgeving, met name de Waterwet. De Waterwet biedt immers vanaf 22 december 2009 (de beoogde datum van inwerkingtreding) het nieuwe wettelijke kader voor integraal watersysteembeheer. In het licht van de Waterwet kan een Deltawet – die naast een wijziging van de Wet Infrastructuurfonds een beperkt aantal bepalingen ter aanvullingen op de Waterwet bevat – beknopt zijn. De Commissie is van oordeel dat op dit moment volstaan kan worden met een korte wet waarin de essentialia van het Deltaprogramma, de Deltaregisseur en het Deltafonds worden geregeld. Mede in verband met beginselen als 'duurzaamheid', 'solidariteit' en 'rechtvaardigheid' kan het echter in de toekomst nodig zijn om aanvullende regels te stellen. De Commissie wijst met nadruk op de samenhang tussen de veiligheidsnormering, het Deltaprogramma, het Deltafonds en de rol die de Deltaregisseur in dit verband kan spelen. Deze vier 'onderdelen' zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en moeten steeds in onderlinge relatie tot elkaar worden bezien. Het onderwerp van de veiligheidsnormering wordt uitgewerkt onder het kopje: "Onderwerpen die (nog) niet in de Deltawet uitgewerkt worden".
(1) Deltaregisseur
De Commissie heeft zich gebogen over de vraag of het nodig is om voor de Deltaregisseur nieuwe wettelijke bevoegdheden te creëren. Het geheel van wetgeving overziend dat vanaf 2010 beschikbaar is voor de uitvoering van het Deltaprogramma (denk met name aan de Waterwet, de Wro en de Wabo), meent de Commissie dat de bestaande wetgeving voldoende bevoegdheden en instrumenten biedt om de doelstellingen van het Deltaprogramma te realiseren.
(2) Deltaprogramma
Het is de Commissie niet duidelijk of en in hoeverre het voorkomen en waar nodig beperken van wateroverlast ook onder het bereik van de Deltawet valt. Naar het oordeel van de Commissie dient de Deltawet zich primair te richten op de waterveiligheid in de zin van het voorkomen van overstromingen door het falen van primaire waterkeringen (zie ook de definitie van 'primaire waterkering' in artikel 1.1 van de Waterwet). Bij de maatregelen gericht op het voorkomen en beperken van wateroverlast is overwegend sprake van regionale en lokale belangen van de decentrale overheden. Mocht het wel de bedoeling zijn om (bepaalde vormen van) wateroverlast mee te nemen in het Deltaprogramma, dan dient dat naar het oordeel van de Commissie expliciet vermeld te worden in artikel 4.9 van de Deltawet en ook in de memorie van toelichting verduidelijkt te worden. De Commissie heeft op zich waardering voor het streven om de maatregelen uit het Deltaprogramma waar mogelijk integraal uit te werken. Dat wil zeggen dat actief wordt gezocht naar samenhang met doelen op andere beleidsterreinen, zoals natuur en ruimtelijke ordening (zie pagina 3 van de toelichting). De Commissie wijst er wel op dat dit streven naar integratie enige spanning oproept met het belang van een voortvarende uitvoering van de urgente opgave waar ons land voor staat. De Commissie bepleit in dit verband een onderscheid tussen het Deltaprogramma – waarbij het in de visie van de Commissie primair gaat om het voldoen aan geactualiseerde waterveiligheidsnormen binnen vastgestelde termijnen – én een breder 'waterprogramma' waarbij de waterveiligheid niet primair in het geding is en het mede daarom ook minder erg is wanneer enige temporisatie plaatsvindt. De Commissie meent dat de waterveiligheid in dit verband een prioritair belang moet zijn.
(3) Deltafonds
De Commissie vraagt zich af of de periode van zeven jaar die blijkbaar nodig is voor een 'geleidelijke start' van het Deltafonds geen afbreuk doet aan de noodzaak van een voortvarende uitvoering van het Deltaprogramma. De financiering van het Deltaprogramma is immers van wezenlijk belang voor de realisatie van dat programma. Dit raakt de uitvoerbaarheid van de Deltawet. Zonder een vaste, stabiele en substantiële voeding van het Deltafonds – ook uit andere bronnen dan de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (zie artikel 7.16d, eerste lid, onder b, c en d) – dreigt het Deltaprogramma een symbolische nieuwe naam te worden voor datgene wat we toch al doen (waar we de budgetten reeds voor gereserveerd hebben).
(1) Normering van waterveiligheid
De Commissie mist in de toelichting bij het wetsvoorstel Deltawet aandacht voor de veiligheidsnormering. Zowel met het oog op de bestaande waterveiligheidsnormen als met het oog op in de toekomst vast te stellen waterveiligheidsnormen is deze aandacht vereist. De Commissie meent dat de eerste prioriteit zou moeten zijn om die waterkeringen aan te pakken waarvan we nu al weten dat ze niet voldoen aan de bestaande waterveiligheidsnormen (en dus helemaal niet voldoen aan de door de Commissie Veerman voorgestelde ‘factor 10 normering’). Dit vraagt om een fasering van het Deltaprogramma. Deze fasering roept echter direct het probleem op dat vanwege onbekendheid met toekomstige waterveiligheidsnormen op bepaalde locaties wellicht ‘te weinig’ wordt gedaan. Daar komt nog bij dat het bestuurlijk en maatschappelijk ongewenst en financieel ondoelmatig is om op één locatie twee keer in korte tijd een ingreep te ondernemen die moet bijdragen aan een betere veiligheid. Zowel in het beleid als in rechte is het geaccepteerd dat het bevoegd gezag in dit verband streeft naar doelmatigheid. Die doelmatigheid wordt mede bepaald door de beschikbare financiële middelen. Niettemin blijkt het in de beleidspraktijk allesbehalve vanzelfsprekend te zijn – en dus ook aanvechtbaar – dat het bevoegd gezag (bijvoorbeeld in het kader van een dijkversterkingsplan) uitgaat van hogere toekomstige veiligheidsnormen die verder gaan dan de geldende wettelijke normen. In het licht van het voorgaande verdient het naar de mening van Commissie aanbeveling om de discussie over de waterveiligheidsnormering te versnellen. Het eerste Deltaprogramma zal in ieder geval duidelijkheid moeten bieden over hoe om te gaan met het spanningsveld tussen de geldende en de toekomstige waterveiligheidsnormen. Daarnaast verdient het aanbeveling om bij of krachtens de Waterwet te regelen dat de waterbeheerder rekening kan houden met toekomstige ontwikkelingen.
(2) Decentrale overheden
Naar het oordeel van de Commissie wordt in de toelichting bij het onderhavige concept van de Deltawet te weinig aandacht besteed aan de positie van de decentrale overheden (provincies, gemeenten, waterschappen). Dat wekt ten onrechte de indruk dat (overwegend) sprake is van een rijksaangelegenheid, terwijl zowel bij het Deltaprogramma, als bij het Deltafonds én bij het functioneren van de Deltaregisseur actieve betrokkenheid van de decentrale overheden onontbeerlijk is. De Commissie adviseert om de mogelijke bijdrage(n) die provincies, gemeenten en waterschappen op verschillende manieren kunnen geven aan het Deltaprogramma, het Deltafonds én ter ondersteuning van het werk van de Deltaregisseur expliciet in de memorie van toelichting te benoemen.
(3) Onderwerpen die nadere overdenking behoeven
De Commissie ziet dit voorstel voor een Deltawet als een noodzakelijke wettelijke verankering van het Deltaprogramma, de Deltaregisseur en het Deltafonds. Met deze wet kan de uitvoering van het Deltaprogramma van start gaan. Of daarmee voor de lange termijn ook voldoende geregeld is, is een andere vraag. Naar het oordeel van de Commissie zijn er nog onderwerpen die nadere overdenking behoeven en wellicht in de toekomst aanleiding kunnen zijn voor aanvullende regels. De Commissie denkt in dit verband bijvoorbeeld aan een onderwerp als strategische grondverwerving en aan de mogelijke juridische consequenties van begrippen als 'duurzaamheid' en 'solidariteit tussen gebieden en generaties', waarover in de toelichting bij het wetsvoorstel gesproken wordt.
Briefadvies over Amvb Ruimte
Ongevraagd advies aan de Minister van VROM Op 8 september heeft de Commissie haar advies over het ontwerp van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Amvb Ruimte) aangeboden aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Een afschrift van dit advies is gezonden aan de Minister en Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Gewoonlijk adviseert de Commissie niet ongevraagd over algemene maatregelen van bestuur die in ontwerp bij de Tweede Kamer worden voorgehangen. De Commissie acht de Amvb Ruimte echter zo belangrijk voor het waterbeheer dat zij besloten heeft in de vorm van een schriftelijke advies over het ontwerp een aantal opmerkingen te maken.
Aansluiting met waterwetgeving is voor verbetering vatbaar De Commissie gaat in haar advies vooral in op enkele begrippen uit de Amvb die naar het oordeel van de Commissie - mede in het licht van de Waterwet - verduidelijking behoeven, met name de volgende:
Watertoets In aansluiting op een eerder advies over de juridische versterking van de watertoets (voorjaar 2008) en een recente brief aan de Tweede Kamer (brief van 18 juni 2009) beveelt de Commissie aan om enkele elementen van het watertoetsproces te regelen in de Amvb Ruimte. Bijvoorbeeld zou voorgeschreven kunnen worden dat in de toelichting bij een bestemmingsplan verslag wordt gedaan van de uitkomst van het watertoetsproces. Ook zou voorgeschreven kunnen worden dat in de toelichting bij het bestemmingsplan moet worden aangegeven in hoeverre overeenstemming bestaat tussen het bevoegd gezag dat het ruimtelijk plan vaststelt en de waterbeheerder.
[briefadvies] [Amvb Ruimte] [Toelichting bij Amvb Ruimte] [Brief aan de Tweede Kamer van 18 juni 2009] [CAW-advies over watertoets]
Belangenrepresentatie in het waterschapsbestuur
[adviesaanvraag] [adviesrapport] [persbericht] Invoeringswet Waterwet Op 18 september heeft het departement aangegeven dat – mede naar aanleiding van het CAW-advies - de in dit verband voorgestelde wijzigingen van artikel 1, 3.2 en 10.1a van de Waterwet, niet doorgaan. De bepalingen die aanleiding waren voor de door de Commissie geconstateerde onduidelijkheid zijn dus geschrapt.
Nederlands waterbeheer in Europees en grensoverschrijdend perspectief (19-11-2007) Tegen de achtergrond van de internationalisering (Europeanisering) van de waterproblematiek en de gelijktijdige regionalisering en vermaatschappelijking van de aanpak van die problematiek, vragen de commissies aandacht voor een proactieve beïnvloeding van de Europese wateragenda, versterking van de grensoverschrijdende samenwerking én bevordering van publieke participatie. Volgens de commissies zijn deze onderwerpen van groot belang voor de wateragenda van de toekomst. De commissies zijn onder meer van oordeel dat versterking van de grensoverschrijdende samenwerking noodzakelijk is. Met het oog op die noodzakelijke versterking wordt het kabinet geadviseerd een aantal pilots te stimuleren en te ondersteunen, ook financieel, gericht op verdergaande (geïnstitutionaliseerde) samenwerking met buitenlandse partners in het grensgebied. (verder)
2006 Modernisering Wegenwet (14-12-2006)
2005 Briefadvies wijziging Waterschapswet (24-10-05) Briefadvies over toepassing methode Delfland in het Westland (22-09-05)
2004
|
|
|